Angststoornis
Uiteenlopende factoren zijn van invloed op het ontwikkelen van een angststoornis. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een erfelijke aanleg, maar die komt niet altijd tot uiting. Dat geldt ook voor opvoedingsfactoren. Angststoornissen treden vaak op tijdens of vlak na emotioneel belastende omstandigheden. Een biochemisch proces in de hersenen raakt waarschijnlijk verstoord. Dat evenwicht kan worden hersteld door middel van een goede behandeling.
Angststoornissen die leiden tot een hulpvraag, hebben invloed op het dagelijkse leven. Ze belemmeren je in allerlei dingen, wat het leven minder aangenaam maakt. De klachten kunnen na verloop van tijd aanleiding geven tot depressiviteit. Vooral als er geen hulp wordt gezocht. Als de angst buitensporige proporties aanneemt, is de meest effectieve psychologische behandeling gedragstherapie. Het leren doorstaan van angstwekkende situaties wordt ook wel ‘exposure’ genoemd. Dat vormt het belangrijkste onderdeel van deze therapie.
Vroeger werden ook vaak kalmeringsmiddelen gebruikt tegen angststoornissen. De bekendste zijn benzodiazepines, zoals oxazepam en diazepam. Het nadeel van deze middelen is dat ze versuffend kunnen werken en verslavend zijn. Je hebt ook steeds meer middelen nodig om de angst voldoende te dempen. Antidepressiva hebben deze nadelige bijwerkingen niet en verdienen daarom de voorkeur bij het bestijden van dwang. Ze onderdrukken de angsten goed en laten ze niet zelden geheel verdwijnen.
